Nog meer verhalen …

Lacroix René Joseph Ghislain, gesneuveld op 22-jarige leeftijd

Geboren in Vivegnies in 1896, woonde hij in Edegem in de Hovestraat 84. Hij was niet gehuwd toen de oorlog uitbrak.

Bij een poging om de Nederlandse grens in Achterbroek-Wuustwezel te bereiken, werd René in juni 1915 gevat door de Duitsers en kreeg als straf negen weken opsluiting in de kazerne in de Predikherenstraat, Antwerpen. Hij kon echter ontvluchten via de daken van de nabije woningen en leefde gedurende vier weken ondergedoken bij onbekenden te Antwerpen.

Zijn moeder regelde een overtocht over de Schelde met een binnenschip naar Vlissingen. De schipper vroeg wel 250 Belgische frank. Dat was een niet onaardig bedrag, als we lezen dat de burgemeester van Edegem in 1910 een jaarvergoeding van 300 Belgische frank kreeg toegewezen.

Via het Belgische consulaat in Vlissingen kon hij op 12 september 1915 inschepen naar Engeland. Op 19 september 1915 bevond hij zich in het Franse Issigny (Calvados) voor zijn opleiding in het Belgische leger.

Hij werd ingedeeld bij het 8ste Linieregiment dat in die periode van de oorlog onder andere de sector van Boezinge bezette. Een obusscherf verbrijzelde zijn linker kaakbeen. Aan deze verwonding overleed hij in Boezinge op 27 april 1918.

Hij werd begraven in Westvleteren, graf nr. 1159, en later herbegraven op de gemeentelijke begraafplaats van Edegem.

Men eerde hem postuum met de eretekens Ridder van Leopold II-Orde en het Oorlogskruis voor ontsnapt uit bezet België.

 Dit verhaal en meer kan u lezen in het boek ‘Edegemnaren en de Groote Oorlog’, verkrijgbaar vanaf 21 april 2017. Uw exemplaar bestellen kan via cultuur@edegem.be.

Verbinnen Alexander Maria Hendrik, overleden op 19-jarige leeftijd

Geboren in Antwerpen op 12 september 1899, woonde hij bij het uitbreken van de oorlog als 15-jarige nog bij zijn ouders in Edegem. Ondanks zijn jeugdige leeftijd wilde hij zich in 1915 verdienstelijk maken als oorlogsvrijwilliger.

Zeer waarschijnlijk werd hij door de ‘Dodendraad’ naar Nederland gesmokkeld en bereikte hij via Engeland het Belgische leger. Daar bood hij zich aan op 12 september 1915 – dus op zijn zestiende verjaardag, de minimum leeftijd voor indiensttreding bij het leger –  bij het opleidingscentrum van de Artillerie te Eu in Normandië. Na een opleiding van vier maanden bracht hij drie jaar door aan het front aan de IJzer.

In augustus 1918 werd hij met een hersentumor opgenomen in het militair hospitaal in de abdij van Soligny-la-Trappe (Normandië). Dat militair hospitaal verzorgde zenuwzieken en psychiatrische patiënten, meer speciaal ongeneeslijke zieken. Daar stierf Alexander twee maanden later op 6 oktober 1918, als een van de zeven Belgen die er overleden. Alexander ligt begraven op de gemeentelijke begraafplaats van Soligny-la-Trappe.

Hij ontving de volgende eretekens: Oorlogskruis met Baret, Zege- en Herinneringsmedaille 1914-1918.

Alexander Powell vertelt

auteur: Nicky Langley

“Het is weinig verstandig om over een oorlog te schrijven voor die beëindigd is en men hem in zijn correcte historische perspectief kan plaatsen.

Maar de veldtocht die begon met de vlucht van de Belgische regering uit Brussel en die resulteerde in de val van Antwerpen, vormt een losstaand geheel in deze Grote Oorlog, en ik vind dat ik erover moet schrijven terwijl alles nog vers in het geheugen is. Wie zoekt naar technische of gedetailleerde uitleg over de veldtocht in Vlaanderen zal met mijn verhaal zeker teleurgesteld worden. Niets over tactiek of strategische beschouwingen, en men kan er ook geen militaire lessen uit trekken. Het is enkel het verhaal dat ik zelf als toeschouwer heb meegemaakt en gezien. Als professionele journalist genoot ik wel buitengewone faciliteiten om de tragische gebeurtenissen in België te observeren.

Alexander Powell 1 web

Alexander Powell (rechts op de foto)

Bij het uitbreken van de oorlog ging ik onbevooroordeeld naar België. Ik kende zowel Britten, Fransen, Duitsers als Belgen. Ik had vrienden in de vier landen en gelukkige herinneringen aan mijn vele verblijven daar. Maar toen ik Antwerpen verliet na de Duitse bezetting was ik fervent pro-Belgisch, evengoed als wie geboren was onder de zwart-geel-rode driekleur. Ik heb een brutale en harteloze inval gezien in een van de mooiste en meest vredelievende landen van Europa, ik heb steden en dorpen zien afbranden, ik heb historische monumenten en kerken in ruïnes gezien, ik heb wegen gezien die zwart zagen van de vluchtelingen, ik heb de vruchtbare akkers gezien die bestrooid lagen met de lijken van zijn jonge mannen, ik heb weduwen en wezen gezien, ik zag een welvarend land herschapen in een desolate woestenij, en ik heb zijn bevolking – een anders zo vredelievend, meegaand en levens genietend volk – zien veranderen in moedige, vindingrijke krijgers die bereid waren om te vechten en te blijven vechten tot het einde.

Het is geen wonder dat zij tot mijn verbeelding spraken en mij inspireerden. Ik ben pro-Belgisch, ik geef het gerust toe. En ik schaam mij er helemaal niet om.

Antwerpen leerde de dood uit de lucht kennen op 25 augustus 1914 om half een ‘s nachts. Door de eerste Zeppelin aanval.

Alexander Powelle 2 web

De vernieling was ontzaglijk. Zelfs op slagvelden zag ik nooit eerder zulke misselijkmakende taferelen als toen ik een vernield huis binnendrong en over brokstukken heen naar de kamer kroop waar een jonge vrouw aan het slapen was geweest. Ze was letterlijk in stukken gereten. De vloer, het plafond en de muren waren bespat met haar overblijfselen die enkel met een schop bijeengeraapt konden worden. Enkel de onschuldige burgers waren slachtoffers van deze luchtaanval op Antwerpen.”

Deserteur. Wat een woord!

00 web

Jackie Detailleur

auteur: Lionel Vandenberghe

Wat een woord! Eenvoudig woord.  Of toch niet? Zoals zovele termen: een woord met veel interpretaties.

In het “Groot woordenboek der Nederlandse taal”, beter gekend als de dikke van Daele, staat : deserteur = “overloper, wegloper”. Kort en krachtig, maar met vele betekenissen.

Iemand die naar een andere politieke partij overloopt, zou een deserteur zijn. Een jongvolwassene die van het ouderlijk huis wegloopt, zou een deserteur zijn. Discussieer maar daarover.  Zo ook als we de term gebruiken in het kader van een oorlogsgebeuren en nu vandaag rond de Eerste Wereldoorlog.

Toevallig in De Standaard gelezen in de dagelijkse artikels over WO I “Tot aan de IJzer” over de beroemde kunstschilder Rik Wouters. Hij maakt als soldaat de afschuwelijke slachtpartijen mee in Fléron. “In de verwarring vlucht Wouters weg.  Na omzwervingen via Visé en Maastricht belandt hij uiteindelijk in Brussel… Strikt genomen is hij op dat moment een deserteur”, schrijft kunstkenner Jan Van Hove… Hij keert uiteindelijk naar zijn regiment terug.  In de algemene verwarring is zijn kortstondige desertie niet eens opgemerkt.”  Hier zouden we kunnen zeggen dat Wouters een “wegloper” was.  Maar verder.  Op 10 oktober valt Antwerpen en Wouters bevindt zich tussen de 40 000 soldaten die de benen nemen naar Nederland.  Weglopen?  Of overlopen naar het neutrale en veilige Nederland…? Eigenlijk 40 000 deserteurs.

Hetgeen de Vlamingen al lang bezig houdt en dat in deze herdenkingsperiodes door officiële instanties volledig wordt verzwegen is de situatie van de “Vlaamse jongens aan de IJzer” (dit is de titel van een filmpje gemaakt door Clemens de Landtsheer, de eerste secretaris van het IJzerbedevaartcomité, uit de twintiger jaren). De manier waarop Vlaamse soldaten, vrijwilligers en anderen, behandeld werden door de Franssprekende officieren wordt niet meer vermeld.  Nochtans bestaan er héél veel publicaties, studies, dagboeken, mondelinge verhalen,… die getuigen over soldaten die “als Belgisch nationalist zich vrijwillig aanmeldden en als flamingant uit het front terugkwamen”, àls ze de woelige gevechten overleefden.

Op het einde van de oorlog waren enkele jonge kerels, twintigers, die vanuit het front via niemandsland naar het bezette gebied waren gevlucht (overgelopen?) om aan de activisten (die mee werkten met de Duitse bezetter) uit te leggen hoe verschrikkelijk de situatie aan het front was. Ze werden gebruikt door de Duitsers om propaganda te voeren voor het programma van de frontbeweging nà de oorlog.  Na de oorlog kregen ze strenge straffen, zelfs bij verstek de “dood met de kogel”.  In Vlaamsgezinde kringen werden ze de “sublieme deserteurs” genoemd.

Maar ook heel jonge soldaten konden het psychisch niet aan om al die ellende in de loopgraven te verwerken. Jarenlang afgescheiden zijn van familie, van vrouw en kinderen. Vier jaar lang.  Ondraaglijk psychisch en fysisch lijden.  Ze waren overspannen, werden hysterisch, durfden niet meer naar de loopgraven gaan.  Deze soldaten met “Shellshock, oorlogsneurose, het posttraumatische stresssyndroom (PTSS)…” werden niet medisch of psychiatrisch behandeld. Ze werden beschouwd als deserteurs en werden gestraft, zelfs “de dood met de kogel”.

 

Dagboek Jacobus Winters

001 web

Jackie Detailleur

Fragment uit het dagboek van Jacobus Winters                                                           (Familie Geusens-Ceyssens, Genk)

1914 oktober (1)

Op de groote Plaats is hij door een dichtbijspringende obus aan mond, arm en hand gekwetst geworden en zijn makker, Jantje Segers werden de twee beenen ook afgerukt. Ik keer terug maar mag de brug niet over wijl obussen volop op den boulevard vallen. Pas 2 minuten geleden vielen daar 4 obussen tegelijk in eene compagnie marins, waarvan rond de 50 gedood of gekwetst wierden. Ik schuil dan in een huis tot de duisternis invalt. Dan, bajonet op’t geweer, den vinger aan den haan en de brug over de stad in. Aan de groote Plaats omtrent houdt onze 1e sergeant Badart mij tegen en doet mij in een kelder gaan waar nog 8 mannen van ons peloton schuilen. Zij slapen op matrassen. Ik leg me ook te rusten. Rond middernacht hooren we trompetgeschal en hoerrageroep. ’t Zijn de troepen des keizers die, een gansch bataljon (1000) sterk, in stad gedrongen zijn na eene tranchée ingenomen te hebben. We wanen ons gevangen. We hooren den rik-tik van de mitrailleuzen en eenige geweerschoten. Daarna niets dan een akelig langgerekt hoh-hohgeroep en dan … stilte. Ik kan ’t niet meer uithouden, neem mijn geweer en ga buiten staan om te loeren wat er omgaat. Ginds branden huizen op ’t einde der straat, maar ik zie geen sterveling. Toch, ginds komt een marin kalm en rustig aangestapt om orders te dragen. Ik ga hem tegemoet en vraag hem of hij niets weet. Niets nieuws zegt hij. Ik keer terug naar den kelder en stel de anderen gerust. We slapen voort tot tegen 5 uren ’s morgens. Dan, er wordt niet meer gebombardeerd en ’t is tijd dat we vertrekken, willen we vóór den klaren in de loopgrachten zijn. We stappen en tegen half 6 zijn we op onze plaats, waar we nu en dan een schot lossen op de Duitschers die op 800 meter vóór ons op en af dragen met stroo naar de tranchées.

Ziehier hoe het afliep met de Duitschers die erin gelukten in stad te dringen. Hunne aankomst meldende door trompetgeschal en hoerrageroep hadden de marins van over de brug den tijd zich voor den IJzer te scharen en de Duitschers af te wachten, die in opeengedrongen rangen op de brug aanrukten. Daar wierden ze door onze en de fransche mitrailleuzen ontvangen. Een 40-tal Duitschers gelukten erin over de brug te komen, doch wierden aan de bajonet gerijgd. Dan deden de marins een mooien aanval met het blanke wapen en doodden bijna al de Duitschers die stervend en huilend hoh-hoh riepen. Sommigen vluchtten in de kelders maar werden er ’s anderendaags door de fransche patroeljen gevangen genomen.

Hier moet ik melding maken van een geval waarin ik een klaar bewijs vind van de bescherming die O.L.V. onze goede Hemelmoeder mij sedert het begin van den oorlog verleend heeft. Het begon dus klaar te worden toen we in onzen trachée aankwamen. Jef Haegdorens stond nevens mij. Hij keek eens over den tranchée en zag twee Duitschers op 800 meter vóór ons. Zij droegen stroo naar hunnen tranchée. Jef zei:” schiet eens”. Ik neem mijn geweer en wil het laden. Maar Jef zegt:” neem mijn geweer, ’t is geladen”. Ik neem het, leg aan en: kets, de slag ging niet af. Ik neem de kardoes uit ’t geweer en laat ze Jef zien. Ik leg de hand boven op ’t geweer en verschrik. Immers de loop steekt vol aarde en nu begrijp ik waarom de slag niet afging. ’t Is O.L.V. die mij beschermd heeft op zichtbare wijze, want, was de kogel afgegaan, dan was het geweer gesprongen en ik was zeker gedood alsook mijne omstaande makkers. Ik dank mijne goede Hemelmoeder en ’t mirakel scheen mij nog zekerder toen ik, na het geweer gekuischt te hebben, dezelfde kardoes erop stak want deze keer ging de slag af en moet raak geweest zijn want ik zag een Duitscher vallen. Van tijd tot tijd gelukken we erin een Duitscher neer te schieten. Zij schieten terug, maar raken niemand. Tegen 3 uren namiddag komt eene compagnie van het 1e linie ons aflossen. In “pas gymnastique” doorlopen we de stad en dan naar Lampernisse langs Oostkerke. We slapen er.

Het volledige dagboek kan u hier lezen JacobusWinters 

Louise Mack, feministe avant-la-lettre

100 web

Jackie Detailleur

auteur: Nicky Langley

Louise Mack (10/10/1870 – 23/11/1935), was een Australische dame en feministe avant-la-lettre.  Auteur en oorlogscorrespondente. Zij hield van het leven en het avontuur.

Begin augustus, bij het uitbreken van de Grote Oorlog bevond Louise zich in Oostende met enkele mannelijke oorlogsverslaggevers.

Na enkele uren vernamen de journalisten dat de Kaiser bevel had gegeven dat alle telegraaflijnen en kabels doorgeknipt moesten worden, boten mochten niet meer uitvaren, alle journalisten  zouden meteen ter plekke doodgeschoten worden.

Er werd beslist om de badstad onmiddellijk te verlaten en naar Engeland te varen.

Louise was geschokt toen ze de eerste zwaar gekwetste Belgische soldaten en Duitse krijgsgevangenen had gezien, en was beschaamd dat ze met haar collega’s hals over kop mee naar Engeland gevlucht was.

web Louise Mack 2

Ze besloot terug naar België te keren, en ging meteen bij haar aankomst naar Antwerpen. Ze had de trein genomen, die was afgeladen vol met gewonde soldaten, gezinnen, vluchtelingen.

De oorlog was maar net uitgebroken, en er waren al talloze slachtoffers.

Schokkende en harde beelden.

Een artikel geschreven door Louise verschijnt op 3 september 1914 in ‘The Daily Mail’: ‘An Englishwoman in Antwerp’.

Om te tonen dat ze even moedig was dan om het even welke man, bleef zij in Antwerpen tijdens de eerste dagen van de Duitse bezetting. Ze logeert met enkele Engelse mannelijke collega’s in Hotel Terminus te Antwerpen. Ondanks dat niemand toelating kreeg om naar Brussel te gaan, lapte Louise dit aan haar bevallige laars en trok naar Brussel, de voormalige hoofdstad van België, waar ze een ontmoeting en gesprek had met Burgemeester Max. (Antwerpen werd tijdelijk hoofdstad van België)

Louise kreeg van de Britse Ambassadeur in Antwerpen al snel een wagen met chauffeur ter beschikking en liet zich naar Aarschot, Sint Katelijne Waver, Mechelen, Lier, Gent voeren.

Ze trekt naar de frontlinies, om de oorlogstaferelen van vlakbij te kunnen waarnemen.

In Lier, in een straat die bezaaid lag met lijken, kreeg ze van een Britse sergeant een vogelkooi met een levende kanarie. De man had de vogel gered uit een brandend huis, en vroeg Louise om er voor te zorgen. Gek dat een man een huis dat in lichterlaaie staat binnenstapt en zich ontfermt over een simpele kanarie. ‘Mrs, should you ever meet my wife, please tell her that you’ve met me. Sergeant Thomas Marshall.’ Hij zou de oorlog niet overleven, zei hij.

Louise Mack 1 web

Ze nam de vogel mee naar haar hotel. De befaamde Engelse natuurkundige Cherry Kearton, die ook in Hotel Terminus verbleef, was maar al te blij toen ze hem om raad vroeg hoe het diertje te verzorgen. Het gaf hem een doel om de dag door te komen.

Louise ontwikkelde een passionele liefde voor Antwerpen; als in oktober alle journalisten na de hevige bombardementen wijselijk de stad moeten verlaten, weigert ze.

Ze blijft in Hotel Terminus undercover, is zogenaamd in dienst als serveerster.

Overdag werkt ze in het restaurant van het hotel, bedient de luidruchtige Duitse officieren die het hotel in beslag hebben genomen.  Gedurende haar vrije uren aanschouwt ze de verschrikkelijke oorlogsgebeurtenissen vanuit het raam van haar hotelkamer, en schrijft haar indrukken en ervaringen op.

Dagen lang donderen kanonnen. De stad ligt bezaaid met brokstukken, puin, vuur, doden.

Door het plots oprukkend geweld en bombardementen hebben de vluchtende Antwerpenaren hun dieren noodgedwongen achtergelaten. Er was geen ander keuze voor de bewoners dan hals over kop zo snel mogelijk de stad levend proberen te verlaten.

De honden en katten sterven langzaam van de honger, hun jammerlijk gehuil houdt 3 tot 4 dagen aan. Louise beschrijft dit als de verschrikkelijkste nachten van haar leven. Geen ontsnappen aan het stervensgehuil van deze dieren.

Het begint de Duitse officieren op te vallen dat Louise als serveerster geen woord praat.

Ze wordt verraden, en er bestaat geen andere oplossing dan onmiddellijk het hotel te verlaten.

De eigenaar van Hotel Terminus helpt haar de stad te verlaten. Ze doen zich voor als een Vlaams koppel dat in de stad om boodschappen gaat. Louise slaagt erin zo in Nederland te geraken, en daarna verder te reizen door Europa.

Louise schreef na het verlaten van haar geliefd Antwerpen het boek: ‘A Woman’s Experience In The Great War’ dat in 1915 wordt gepubliceerd. Ze wijdt een gepassioneerd hoofdstuk aan haar verblijf in Antwerpen, en verwoordde perfect de gruwelijkheden waarvan zij getuige geweest was.

‘If you asked why the post had not come, or why the boat did not sail for Engeland, or why your coffee was cold, or why your boots were not cleaned, or why your window was shut, ot why the canary didn’t sing, you would always be sure to be told: c’est la guerre.’

Uit ‘A Woman’s Experience In The Great War’ 1915

 

Tweeduizend volt

flanders fields 047web

Jackie Detailleur

auteur: Heemkundekring Amalia Van Solms

8 september 1916

Bij grenspaal 187 in Bergeijk (Noord-Brabant) is Peter, het 4-jarig zoontje van de landbouwer Jos Wuijts, door de elektrische draad gedood.

Naar de precieze oorzaak is het gissen, maar het jongetje is waarschijnlijk net als iedere vierjarige ontzettend nieuwsgierig.

Die dag is hij even aan de aandacht van zijn ouders ontsnapt.

Hij glipt tussen de afschermende hekken en probeert vervolgens onder de stroomdraad door te kruipen.

Op het moment dat de kleuter de draad aanraakt, schiet tweeduizend volt door zijn kleine lijf. Wat overblijft, is een zwaar verminkt lichaampje.

Vader Wuijts ziet het ongeluk gebeuren en schiet in blinde paniek zijn zoon te hulp. Omstanders weten hem tegen te houden en voorkomen zo dat het drama voor de familie Wuijts nog groter wordt.

Een buurman lukt het om het lijkje van de kleuter met een oude fietsband vastgebonden aan een stuk hout naar zich toe te trekken. Het lichaam ziet helemaal blauw en een arm is zo verkoold dat het handje er afvalt.

Bron: Heemkundekring Amalia Van Solms – www.dodendraad.org

België nam deel aan het Verdrag van Versailles in 1918 als overwinnaar. Het verkreeg uiteindelijk bij het verdrag herstelbetalingen van het verslagen Duitsland en de tegenwoordige Oostkantons, bestaande uit de steden Eupen en Malmédy. Een deel van dit gebied was en is vandaag de dag Duitstalig. In de Belgische samenleving was de Vlaamse kwestie ondertussen opgelaaid.

Vlaamse Beweging.

Aanvankelijk schoof de Duitse inval in België alle binnenlandse politieke tegenstellingen naar de achtergrond. De geschillen tussen de Belgische politieke partijen zouden opgeschort blijven tot het einde van de oorlog, de zogenaamde Godsvrede. Het nationaliteitenvraagstuk kwam echter in scherpere vormen aan de orde dan ooit tevoren. WOI bracht een diepe en blijvende scheiding in de Vlaamse Beweging teweeg. Maar WOI en de Vlaamse Beweging is een verhaal op zich. (mAs)

Mij nie hoeveerdig maken!

auteur: Nicky Langley

Een dame van 102 uit Oost-Vlaanderen had de Grote Oorlog als kind meegemaakt.

Ik was meer dan welkom om hierover met haar te praten, had ze laten weten via haar kleinzoon. Deze kranige dame ontving mij in haar kamer in een rusthuis op een druilerige herfstmiddag met de woorden:

“Met al diene aandacht op mijn leeftijd! Mij nie hoeveerdig maken! Mijne naam moet ook niemand weten, ik wil nie meer beroemd worden.”

Haar kleinzoon ging om koffie en koekjes in de cafetaria.

Haar vader was naar het front vertrokken bij het uitbreken van de oorlog, begon ze.

Ik was juist 5 jaar geworden. M’n moeder maakte mij ‘s nachts wakker om nog een kruisje te krijgen van pa.

Tijdens zijn afwezigheid schreef hij brieven, vaak vergezeld van boekjes met tekeningen die pa gemaakt had voor mij.

Hij schreef ook verhalen over de dagen en de nachten die hij moest doorbrengen in de loopgraven. Ik heb leren lezen met zijn brieven en verhalen. De boekjes met die prachtige tekeningen heb ik niet meer. Ik moet ze verloren hebben. Dat was het enige tastbare dat ik nog had kunnen bewaren van pa.

In 1918 kregen mijn moeder en ik bericht dat hij naar huis zou komen. De oorlog was gedaan en wij hadden het allemaal overleefd, ook de bombardementen die alle ruiten van ons huis kapot hadden gedaan. De gescheurde gordijnen hingen toen te wapperen.

Er was een epidemie geweest van de Spaanse griep, moeder had het overleefd.

Mijn vader stuurde ons gelukkig geld op. Boter en melk was duur, maar we hebben niet echt honger geleden.

Op 11 november was ik met een vriendinnetje aan het spelen op het kleine Sint-Pietersplein in Gent. Ik ben toen mijn pa tegengekomen op straat.

“Papa!” riep ik dolgelukkig. “Hoe hebt ge mij weten te vinden!” En ik liep zot van geluk naar hem toe. Hij herkende me niet. We stapten samen naar huis, heel moeizaam, hij was te voet van Parijs naar Gent gestapt.

Die avond zat hij thuis op een stoel en kon hij al bijna niet meer spreken.

Ik haalde de boekjes met tekeningen en verhalen uit een doos onder mijn bed en kroop ermee op zijn schoot.

“Willen we er samen in lezen?” vroeg ik hem. “Of wilt ge me een verhaal vertellen?”

Hij zei niks. We keken samen nog even in een van de boekjes. Naar een tekening van een soldaat in een loopgraaf. Pa staarde voor zich uit en kromp ineen, ik viel op de grond. Hij heeft niets meer kunnen vertellen.

Hij is overleden op 10 december.