Käthe Kollwitz: brief aan mijn zoon Peter

131 web

Jackie Detailleur

auteur: Luc Martens [1]

Lieve Peter,

Het is nu dag op dag honderd jaar geleden dat je sneuvelde aan het front bij Diksmuide. Een schot in je gezicht. Of was het in je hart? Je was meteen dood. Gruwelijk. Ik voel nog de pijn alsof het pas gisteren gebeurde en mijn handen trillen als ik mijn laatste brief aan jou neem. “Return to sender” met het ondubbelzinnige bericht “je zoon is gevallen”. Je was al gesneuveld voor mijn woorden van liefde en sterkte je bereikten. Niets van jou is in mij uitgewist. Als ik onze film – die van jou en je broer Hans en van vader en mezelf – terugdraai zie ik die vele mooie momenten in jouw jonge leven: jouw gezwans en strapatsen, je zwerftochten door bossen en velden, de reizen naar Toscane en de Zwitserse Alpen en de tochten langs gletsjers en fjorden in Noorwegen. Je maakte er vriendschap met jongeren uit Frankrijk en Engeland. We konden samen zo opgaan in die levendige gedachtewisselingen over wat je had gelezen- so sprach Zarathustra – en over die snel  elkaar opvolgende oorlogsverklaringen die troepen in beweging brachten. Ik moet vaak denken aan die rustgevende stilte als je schetste en tekende. Ik herkende hierin mezelf. Je was echt een leuk kind. Een lieve jongen, nog op zoek naar jezelf, en dus met alle puberaal gedrag dat erbij hoorde. Natuurlijk waren we wel eens boos en ontgoocheld om jou. Maar er waren toch vooral de vreugde, de verwondering, de opwinding rond jou. Soms leek je wel een dandy, met een passie voor het biljartspel, dan weer een wilde zwerver, of een fijngevoelige bourgeois, met liefde voor kunst en het intellectuele debat. Soms lag je naar de sterren te staren en was je in de greep van een Weltschmerz die jou stil en ingekeerd maakte, terwijl je op andere momenten ‘wild’ wou zijn zoals je broer. Al die beelden zijn verworden tot een schroeiende pijn. Telkens als ik ze mij voor ogen haal moet ik weer schokkend wenen. En dagen erna voel ik als spierpijn dit ondragelijk verdriet.

Peter-kollwitz.large

Peter Kollwitz

Je wou naar het front: “voor keizer en vaderland”. Je bleef het maar herhalen en aandringen op ons ‘ja’. Er waren wel meer vrienden die ten oorlog wilden. Jullie droomden ervan helden te zijn, zonder oude dag. De pleidooien van enkele leerkrachten deden het vuur in jullie hoog oplaaien. We praatten er wel vaker over en die avond van 8 augustus wist je ons na een lang en moeilijk gesprek aan tafel te overtuigen jou te laten gaan. Vader was er tegen. Ik al evenzeer. Wij beiden vanuit onze overtuiging, ons pacifisme. Maar er was ook de angst om jou. Het onderhuidse gevoel dat dit fout zou aflopen. Je was ook nog zo jong.

We hebben je uitgewuifd. In je bagage stopte ik Faust van Goethe en een schaakspel om de verveling en de banaliteit aan het front tegen te gaan. De dagen daarna waren we jouw spoor vlug bijster. Hoever waren jullie al doorgereisd? Zat je al in Frankrijk? Was je niet te moe? Had je wel voldoende gegeten? En kon je wat slapen? Hoe was de sfeer in het regiment? Ik wilde jou de vrijheid geven die je vroeg. Je voelde je geroepen en die stem moest je volgen. Op naar dat terra incognita, het onbekende land. Je wou een “rainbow warrior” zijn. Je wou naar die grote oorlog, die finaal van niemand meer was. Of toch, van de niets en niemand ontziende dood.

Hoe was het aan het front? Meer nog dan jij was ik bang voor het gebrul van de kanonnen, die verschroeiende vuren waarrond de soldaten zich verzamelden, het suizen en piepen van het spervuur uit de tuitige monden van de machinegeweren. Ik was bang voor de overmoed en de grootspraak om de eigen angst te verbergen. Er waren de knagende honger en de ijzige kou, die modder die je vastzoog in de Vlaamse velden, die rondvliegende scherven van uiteenspattende bommen en granaten, gek geworden kameraden. Men zou van minder. Drinken jullie niet te veel om jullie zelf te verdoven? Verliezen jullie zich niet bij die jonge vrouwen in verre streken? Hebben jullie ondertussen niet elk mededogen en alle menselijkheid afgelegd?

Op al die vragen kwam geen antwoord, behalve dat ene bericht: “ Ihr Sohn ist gefallen”. Dood – vier letters met twee klinkers om in weg te zinken. In een leegte die onmeetbaar diep is en ons helemaal verslindt.

De gedachte aan jouw offer bracht geen troost. Ik kon niet meer slapen. Droomde veel en angstig. Ik kon niet meer terecht bij al het mooie dat we deelden of bij mijn eigen leven en werk. Er was enkel een alles overweldigend verdriet om jou. Dagen kon ik geen woord zeggen, behalve wenen. Ik kon niet schrijven. Niet tekenen. Ik was verlamd. Maar ik wou je ook niet loslaten. Ik wou me verder over jou ontfermen en over al die duizenden die voor en meer nog dan jou zijn gesneuveld. Ik wou verder op je toezien en alle moeders en vaders uitnodigen om samen met mij en jouw vader, mijn Karl, zich over jou en alle gesneuvelden te ontfermen. Want “die eigentlichen Verlierer der Kriege sind immer die Eltern, die Frauen, die Mutter”. Wat rest van het oorlogsgeweld is niet de trots om het offer dat je bracht, maar het verdriet en de pijn van wie achterblijft.

Je was 18 jaar toen je stierf. In die nacht van 22 op 23 augustus was een inslaande kogel voldoende. Geen schreeuw meer, alleen een zucht en doffe smak bij het vallen en dan niets meer. Je was meteen grauw als de nevel over de velden en je kleurde de grond rood als een klaproos. Ik had die kogel willen vangen, de dood incluis. De kameraden hebben je liefdevol begraven, met een heuse grafrede bovenop. Je was nog maar de eerste dode van jouw regiment. Na jou volgden er nog duizenden, neen, tien- en zelfs honderdduizenden, soms nog jonger dan jij, soms iets ouder. Zelden volwassen en oud. Ik treur om hen allemaal, aan welke kant ze ook stonden. Mijn droefheid en mededogen zijn in Vladslo gestold in steen, waar vader en ik naar jou en je kameraden toezien[1]. Wij haatten de oorlog. Die eerste wereldoorlog waar jij naar toeging. Die tweede wereldbrand, waarin ook Peter – we bleven in zijn naam aan jou denken -, de zoon van je broer Hans, sneuvelde. Ik was meteen geen grootmoeder meer. Ik haatte al die oorlogen nadien in andere continenten. De oorlog is een grote farce die slechts doden en ruïnes achterlaat, terwijl het leven om ons roept. “Zaadvruchten mogen niet vermalen worden.” Wanneer zullen we het eindelijk eens leren om vrede te sluiten? Hier en elders, nu en in de eeuwigheid.

In de leegte die ik nu als moeder en oma moet omarmen omhels ik je eindeloos lief.

saskia Kathe web

Jouw moeder (Käthe Kollwitz)

 

Bovenstaande brief werd voorgelezen door Burgemeester van Roeselare & Gewezen Vlaams Minister van Cultuur. [1]

[1] In 1997 heeft Luc Martens, toenmalig Vlaams Minister van Cultuur, de beeldengroep ‘Het treurende echtpaar’ van Käthe Kolwitz én meteen het ganse kerkhof in Vladslo als monument geklasseerd, om zo te verhinderen dat de beeldengroep naar Duitsland zou worden overgebracht.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *