De Groote oorlog van Gommaar Janssens, kunstsmid te Lint

100 webVIER JAAR  FRONTLEVEN,  ZES  DAGBOEKEN

auteur: Paul Janssens

Op 6 augustus 1914 trok ik op met woede gedachten, vele anderen deden van het zelfde. Aan mijn vader vroeg ik eerst of hij zo goed wilde zijn om mede naar het gemeentehuis (stadhuis Lier n.v.d.r.) te gaan om mijn papieren klaar te maken om te vertrekken. Des avonds trok ik naar de statie, met een boterham onder de arm, om met den trein van 6 uren uit Lier te vertrekken. Aan de statie gekomen telde ik een 20-tal vrijwilligers.

Postkaarten Gommaar Janssens 158Wij werden daar gefotografeerd en onze foto’s werden verkocht in een zekere fotografiewinkel in Lier. Wij kwamen te Antwerpen binnen en een gehuil en geschreeuw ruiste de ganse statie door en buiten schreeuwde de massa volk geheel de stad door: “leve de volontaires, leve de koning, vive de la guerre terwijl wij al zingende voort trokken tot St Anna waar wij de forteresse binnengingen.

Na vijf weken konden wij onze exerciesen al zeer goed, zelfs aan het kanon. Na enige dagen in het school te hebben geslapen vond ik bij de burgers een goed bed en die waren nogal goed voor mij. Wij hadden niets te kort maar de soep van den troep had ik toch altijd mede omdat zij nogal goed was toen.

Tussen de tijden dat wij te Merksem verbleven hadden wij veel werk te verrichten als men gene exerciesen te doen hadden. Dan was de bezigheid bossen af te hakken, bomen zagen en al dit hout in vuur om te zetten om te doen verdwijnen. Intussen sluipten wij van tijd de verdere bossen in, daar pakten wij wilde konijnen en fezanten, ook konden wij onze handen van het fruit niet houden, wij dachten het is oorlog. Den 30ste september trokken we naar Kontich om te gaan slapen. Dan terug naar Waarloos om tranchées te maken. We moesten vluchten wegens artillerie aan de forten te Walem en Duffel. Wij hebben ook de kerk van Duffel in brand zien steken door de genie van het Belgisch leger. Met dienzelfden nacht zag ik in de verte den schonen Sint Gummarustoren van mijn geboortestadje dat door het schrikkelijk kanonvuur der Duitsen in brand stond.Postkaarten Gommaar Janssens 204

Den 4de oktober gingen we in Coudekerke eten zoeken want we hadden al twee dagen geen eten gehad. Soldij kregen wij niet en vele jongens hadden geen duit meer bij zich. Sommigen gingen eten vragen bij vreemde mensen die moeilijk onze taal verstonden. Dit was zeker onverdraaglijk voor die burgers en ook kunt ge wel geloven dat het grote affronten waren voor de Belgische overheid.

Op 17 november 1914 werd ik in Caen gestraft met 4 dagen arrest. Dat gebeurde nadat ik een scheldwoord toeriep toen een vollontaire in mijn arm kneep op mijn zwerende pocken na de vaccinatie.

Die laffe volontaires waren gekomen voor 10 fr per dag te verdienen, als chauffeur en door hunnen gradering het recht van andere jongens ontnamen. Dat was voor hem gemakkelijk, heel simpel, als men maar de mouw kon vagen en wijn en champagne drinken met luitenanten en andere overheid. En jongens als ik, die gewerkt en veel afgezien hadden, in zon, vuur, koude slijk en wind, zouden in den grond gepest worden door diegene. Hij vertelde zich echter schoon wit in het Frans tegen de luitenant.

Den 4de april heb ik mijne Pasen gehouden in de kerk van Loo.

Ik heb hier nog enige woorden te melden over het verlopen leven. Men schreef in onze dagbladen als dat de Duitsers vergeven zijn van ’t ongedierte. Wij zeggen dat dit een uittreksel was van het leven van onze soldaten. Onze soldaten gelijk als ik moesten alle dagen patrouille doen in onze klederen. Telkenmale vangt men veel ongedierte. Zodra men een weinig tijd had om een oogje toe te doen was dat onmogelijk omdat men er letterlijk van gekweld wier. Aan het front valt er niet te slapen.

Ook een woordje over mijnen tegenwoordige officier. Dat is hem nogal. ’t Is zo enen zekeren gemeinen tipke, van de Vuilrui, die men van verre ziet komen. Men noemt hem conseil de guerre en we maken er liedjes over. (zie de bijlagen in de dagboeken). Hij heeft nog enen onzer kameraden afgeranseld en den geduldigen jongen heeft alle laten voorbijgaan. Wij hadden ook een parade officier. Die had altijd een hère met veel stoef van met de soldaten die arme sukkelaars te lachen : “si dor se, de oorlogsmannekes, bezie ta is di zwakke manne, ze zen ni bang se. Di komme na nor ier om te frète en dan Tabac op te smoren, hadde weggebleven. Ik zal elle bloed doen schijten”. En als er eens iets gebeurde, er mocht geen kogelke ronken of hij zou in een mollepijp gekropen hebben.Postkaarten Gommaar Janssens 206

Nu nog een eitje met de doctoors. Als men ziek is, of er apert iets, dan schreeuwt deze al van verre: tintuurdiotte of English zout om naar achter te gaan. Als men bijvoorbeeld pijn aan de voet heeft, geeft hij English zout om veel naar achter te gaan. Ik ging ook eens naar den doctoor en ik had rugpijn. Toen vroeg deze aan mij of ik niet beschaamd was van naar het viziet te komen omdat ik zo gezonde wezenstrekken op mij had. Grote carrottiés die veel naar den doctoor gaan worden dan exan gezet en mogen rusten terwijl die anderen voor hunne straf die stomme exercitie moeten doen.

Achter Oudekapelle heb ik mijnen eersten schrik opgedaan. Opeens begon den Duits te bombarderen waar wij moesten passeren. Er hing stinkende poederrook en ik sprong in ene beek die daar juist op een sprong voor mij was. Stukken staal en lood spatte over die beek weg en ronkten verder in de grond. Wat klopte mijn hartje. Daarop kroop ik uit het modderig water en over al die beken en liet mij vallen van moede tegen een reserve tranchée in ’t veld. Als een stervende hond lag ik daar. Na enige minuten trok ik voort door ’t veld en vond mijnen maat terug op de steenweg Aabbelaar.

Den 4de november begon den Duits te rommelen. Hij schoot maar altoos voort. De eerste obus was juist in een der groepjes gekomen en gans het ploegsken werd uiteen geklopt. De gewonden werden vermaakt en naar ’t hospitaal gevoerd en de dode makkers werden in Nieuwkapelle in den grond gestoken waar men 4 dagen nadien ene mis voor hadden. Men kwame rond voor krone te kopen.

Den 19de januari 1916 vertrokken we naar De Panne. Wij kwamen hier om te werken. Miljoenen zakjes met vaderland hadden wij hier te vullen tegen dat de vijand een der dijken aan moes zou schieten. Bijna alle dagen passeerde onze Koning langs het strand, terwijl wij exercisie aan ’t doen waren en telkenmale moesten wij onze wapens presenteren.

Des avonds bleven wij op onze mesthoop liggen, wijl wij kennis maakten met onze zachte krevelige diertjes die wij tussen onze duimen nepen dat het uitgezogen bloed in ons lief aangezichtje spatte, en voorts veegden wij het aan onze broek, dat zij soms gans rood besmeerd was. ’t Was plezierig. Wij moesten ook opletten dat men het vet niet te dik op den boterham deed want als men een straf attrapeerde dan kon men er met een droog mes over wrijven. Op 8 april zaterdag was het de naamdag van onze koning. Wij kregen voor die dag een lepel wijn die ik niet mocht en goot hem weg.

Wij werden ook dikwijls gewekt door sergeant Dooghe die van zijn neus kwam maken want “den eersten die ik zal attraperen die voor de tweede maal om koffie komt zal 8 dagen cachot hebben. Dan begon de sectie hem uit te jouwen en ik herinner mij dat hij 5 dagen te vore ons uitschold met de woorden: “’t Is beter dat er 4 piotten criveren als 1 paard”. Ik zei trekt er maar uit of ‘k slaag u nog de kolf in uwe nek. ’s Anderendaags kwam men mij halen en ik werd er binnen gedraaid. Dan moest ik naar het Conseil d’ enquête en kwam vrij maar moest beloven dat ik het nooit meer zou zeggen tegen een overste.

Op 18 november 1918 zijn wij op Antwerpen gemarcheerd.

 

N.v.d.r. de teksten zijn letterlijk overgenomen en slechts hier en daar aangepast. Zo schreef ik Merksem i.p.v Merxem en Mens  i.p.v. Mensch. e.a

De zes dagboekjes werden herschreven in een boek dat 70 bladzijden A4 formaat telt.  Bovenstaande tekst zijn enkele uittreksels uit de zes boekjes.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *